Er zijn plekken waar wielrennen een toonaangevende sport is, Zuidland is zo’n dorp. En er zijn plekken waar wielrennen een onderdeel van het landschap was — net zo vanzelfsprekend als de dijken, de havens, de wind, en vooral een rondje rond de kerk. Voorne‑Putten Rozenburg hoorde bij die laatste categorie. Van eind jaren vijftig tot begin tweeduizend was er nog een criteriumseizoen en was er elke week wel ergen op de eilanden een wielerfestijn, oftewel een dorpsfeest op wielen.

Ook in Rozenburg was er het jaarlijkse criterium, met de kermis en een avondprogramma met artiesten. Als de bel voor de laatste ronde klonk, kwamen de toeschouwers van de terrassen en probeerde nog een glimp van de eindspurt mee te krijgen. Rijen dik bij de eindstreep. Maar het is historie en misschien nog terug te vinden in de plakboeken.

Het straatbeeld veranderde, de organisatie veel te duur. Verkeersregelaars moesten gecertificeerd zijn. Verkeersdrukte nam toe en het werd steeds lastiger om een parcours in het centrum te vinden waar geen vluchtheuvels, wegversmallingen en verkeerdrempels waren. Dorpskernen veranderden, maar er was ook een vergrijzing en daardoor wegvallen van vrijwilligers, die decennialang de rondjes rond de kerk in stand hielden. Het wielercircus werd veel te duur om te organiseren en ook politie, brandweer en EHBO-ers werden schaars.

Een ode aan de verdwenen criteriums

Er was een tijd dat je in Zuid-Holland in de zomer geen weekend kon plannen zonder ergens een rondje‑om‑de‑kerk tegen te komen. De geur van patat, het geluid van een krakende speaker, een speaker die altijd nét te laat doorhad wie er demarreerde, en een peloton dat door de straten suisde alsof het dorp even het middelpunt van de wereld was.  Wie in de jaren zestig of zeventig op Voorne‑Putten woonde, hoefde geen Tour de France te kijken om wielerhelden te zien. Je liep gewoon naar buiten.

Rozenburg, Brielle, Spijkenisse, Hellevoetsluis, Oostvoorne, Rockanje, Zuidland, Heenvliet — het was een aaneenschakeling van rondjes. De ene week reed je door de vesting van Brielle, de andere week langs de dijk in Hellevoetsluis. In Rozenburg stond het publiek rijen dik, vaak met een biertje in de hand, en altijd met een mening over wie er te vroeg demarreerde. Het waren koersen waar amateurs groot konden worden en grootheden klein konden lijken. En het waren vooral koersen waar het dorp samenkwam. Allemaal tot de verkeersdrukte toenam. Tot vrijwilligers schaars werden. Tot de kosten voor verkeersregelaars hoger werden dan de prijzenpot. En zo verdween het ene criterium na het andere, alsof iemand langzaam de lichten uitdeed. Niet alleen op Voorne-Putten Rozenburg verdween de koers. Zeker ook in de Hoeksche Waard verdween de meeste criteriums. Oud‑Beijerland, Puttershoek, Strijen, Mijnsheerenland, Numansdorp — stuk voor stuk dorpen waar de koers deel uitmaakte van de identiteit. De rondjes waren kort, hard en eerlijk. Wie hier won, kon overal winnen. Maar ook hier in de Hoeksche Waard sloeg de modernisering toe. Centra werden autoluwer, vergunningen strenger, en de kosten hoger.  Ook Rotterdam had ooit meerdere rondes: Ronde van Noord, Ronde van Zuid, Ronde van Hoogvliet, Ronde van Pernis, Ronde van Schiedam, Ronde van Vlaardingen. Het waren koersen met karakter. Met klinkers, met scherpe bochten, en veel publiek. Maar Rotterdam groeide. De stad werd drukker, voller, strakker georganiseerd. En wielrennen paste niet meer tussen de trams, terrassen en verkeersstromen.

Wat overblijft zijn, op een enkele uitzondering na, clubparcoursen — veilig, netjes, afgeschermd. Maar de ziel van het criterium? Die lag op straat, niet op een afgesloten baan.

Foto's: Wielerronde Rozenburg 2015